TERUG NAAR NIEUWSOVERZICHT

Het Living Lab als vliegwiel voor gezonde werkomgevingen en gebouwen

Geplaatst op 20 juni 2018

Interview met Jan Gerard Hoendervanger

Jan Gerard Hoendervanger is projectleider van de Innovatiewerkplaats Healthy Workplace, een project waarin de Hanzehogeschool Groningen samen met 5 bedrijven nieuwe kennis en tools ontwikkelt voor gezonder werken binnen kantooromgevingen. Op de Hanzehogeschool Groningen is een Living Lab gecreëerd waarin deze tools worden getest en de kennis wordt gedeeld. Daarnaast ontwikkelt en geeft hij bachelor- en masteronderwijs op het gebied van Corporate Real Estate Management en werkt hij aan een promotieonderzoek naar activiteitgerelateerde werkomgevingen. CONSULT is een van de sponsoren van het Living Lab en stelde hem een aantal vragen over het Living Lab in Groningen, mogelijk vervolgonderzoek in een Living Lab 2.0 en trends en uitdagingen op het gebied van gezonde werkomgevingen in Nederland.

1. Hoe is het Living Lab ontstaan?
Daarvoor gaan we even terug in de tijd. We zijn destijds begonnen met een samenwerking tussen de Hanzehogeschool Groningen en Menzis. Waarbij we ontdekten dat we vanuit zowel de Hogeschool als vanuit Menzis heel erg bezig zijn met vitaliteit, leefkracht en ‘healthy ageing’. Vanuit daar is gekeken hoe beide partijen hierin kunnen samenwerken. Vanuit Menzis was er directe interesse voor het Quantified Self Institute, om mensen zelf met hun gezondheid bezig te laten zijn. Vervolgens is de Hanzehogeschool ook op een andere manier met Menzis aan de slag gegaan in de vorm van een onderzoek rondom hun eigen werkomgevingen. Hiervoor zijn er aan de voorkant alle nulmetingen gedaan en vanaf komend najaar gaan we hiervoor ook de effectmetingen doen. Hierdoor is het idee min of meer geboren om iets interessants en innovatiefs te doen, om een combinatie te maken van het Quantified Self en de fysieke werkomgeving. In de vorm van het Living Lab is dit een concrete plek geworden, waarin het enerzijds mogelijk is om te experimenteren met omgevingsaspecten en anderzijds dingen te meten voortbordurend op het Quantified Self. Bovendien is het een plek waar we nieuwe technologieën of producten fysiek kunnen laten zien en presenteren. Inmiddels zijn er meer partijen als partner aangeschoven die het uitvoeren: Measuremen, Health2Work, Planon en ENGIE.

2. Wat is het doel van het Living Lab?
Ik denk dat je kunt zeggen dat dit drie dingen zijn. Allereerst hebben we een plek waar we nieuwe technologieën en producten op het gebied van gezonde werkomgevingen uitproberen, maar ook laten zien. Het is een ontmoetingsplek voor onderzoek en kennisdeling.

Ten tweede, een plek waar we experimenteren. Alles wat op de markt komt met betrekking tot gezonde werkomgevingen wil je kunnen testen. De vraag is hierbij vaak “werkt het ook echt?”, in het Living Lab kan de effectiviteit van deze producten worden getoetst.

Het laatste doel van het Living Lab is om, op de langere termijn weliswaar, aan de hand van sensoren en een mobiele app variabelen te meten en daarmee een systeem te ontwikkelen dat mensen feedback geeft op basis van hun eigen gedrag. Dit is dan ook het meest innovatieve binnen het Living Lab, waarin een combinatie van omgevingscondities en gedrag van de gebruiker en de fysieke conditie van de gebruikers wordt gemeten, aan de hand van wearables. Op basis van deze datacombinatie willen we uiteindelijk feedback en tips kunnen geven aan de gebruiker hoe ze hun werkomgeving beter kunnen gebruiken om bepaalde patronen in hun gedrag te veranderen.

3. Wat zijn tot nu toe de belangrijkste resultaten van het Living Lab?
Een van de belangrijkste resultaten is ook meteen bepalend geweest voor het onderzoek. Er is hierbij geëxperimenteerd met het rechtstreeks terugkoppelen van de metingen bij mensen naar de omgevingscondities. Hiermee is direct op schermen zichtbaar, welke waardes de verschillende omgevingscondities hebben (op dit moment temperatuur, CO2-gehalte en luchtvochtigheid). De uitkomst hiervan is dat men dit best interessant vindt, maar er in de praktijk niet zo veel mee kan doen. Bovendien zijn de effecten van omgevingscondities erg persoonsgebonden, zo kan de één het te koud vinden en de ander juist te warm. We hebben hieruit geconcludeerd dat feedback pas zinvol is als het persoonlijk is en to the point. Dus bijvoorbeeld: “Uit jouw data blijkt dat je concentratievermogen afneemt bij een CO2-gehalte hoger dan X; wil je een signaal ontvangen wanneer je je op een plek bevindt waar deze waarde wordt overschreden?”

De tweede uitkomst heeft te maken met zit-stabureaus. Net als in andere onderzoeken bleek ook bij ons dat men in het begin enthousiast is, maar dat het gebruik (% staand versus zittend werken) na een korte tijd zelfs halveert. Dit onderzoek heeft aanknopingspunten opgeleverd voor een effectieve implementatie, gericht op duurzame gedragsverandering.

We hebben ook een onderzoek gedaan naar nudging (psychologisch effect om het gedrag van een gebruiker een duwtje in de juiste richting te geven). Het onderzoek heeft in kaart gebracht wat nudging precies inhoudt en hoe het kan bijdragen aan gedragsverandering in kantoren, om medewerkers gezonder te laten werken. Die potentie is groot, het kan mensen bijvoorbeeld helpen meer te bewegen. Nudging is echter nog niet op de lange termijn getest, het zou dus zo kunnen zijn dat het maar kort effect heeft. Het werkt eigenlijk het beste als het onbewust is, als het te overdreven wordt of heel zichtbaar, dan is het effect snel uitgewerkt.

Momenteel zijn we bezig met nudging in gebieden waar het stil moet zijn. Je kunt bordjes ophangen of mensen laten rondlopen die er voor zorgen dat het stil is, maar je kunt ook nudging toepassen in deze ruimten, bijvoorbeeld door de ruimte de uitstraling van een bibliotheek te geven.

We zien dat veel organisaties met vitaliteit en een gezonde werkomgeving bezig zijn, maar veel zijn nog zoekend naar de precieze invulling. In het verlengde daarvan ontwikkelen wij als Hanzehogeschool ook een nieuwe minor voor de studenten, Healthy Workplace. Studenten van verschillende opleidingen komen hier samen; HRM, Facility Management en Vastgoed, maar ook psychologie, bedrijfskunde, gezondheidsstudies en ontwerp. Dit omdat juist die verbindingen en het samenwerken tussen die disciplines belangrijk is, maar vaak in de praktijk nog moeilijk blijkt.

4. Wat zijn de verschillen tussen 1.0 en een mogelijke 2.0? Vindt er in 2.0 extra onderzoek plaats verschillend met 1.0?
Buiten het Living Lab bij de Hanzehogeschool zullen we ook experimenten gaan uitvoeren in ‘echtere’ kantooromgevingen. Wat we verder aan het voorbereiden zijn voor het Living Lab 2.0, is een reeks aan experimenten. Dit zal gaan plaatsvinden met bijvoorbeeld verschillende inrichtingselementen, akoestische maatregelen, vloerbedekking die de lucht kan zuiveren of experimenten met planten. Ook zijn we in gesprek met een schoonmaakbedrijf om te kijken welke effecten de schoonmaak heeft op de luchtzuiverheid en de gezondheid van de medewerkers. Het wordt in een Living Lab 2.0 dus een stuk serieuzer, er komt een project rondom het testen van iedere interventie.

5. Waar staat het Living Lab over 5 jaar?
Wat ik vooral hoop is dat we echt iets hebben ontwikkeld dat kantoorgebruikers feedback en tips geeft om gezond te werken in hun werkomgeving. Nu zijn we al bezig om te kijken of we de juiste data hebben hiervoor, maar het zal nog wat tijd kosten om dit allemaal te automatiseren. Zodra het gedragspatroon van een gebruiker in kaart kan worden gebracht, zou je heel gericht feedback kunnen geven daarover. Het ultieme zou zijn dat men ’s ochtends op kantoor komt en dat een app hen vertelt welke werkplek het beste past bij de activiteit van dat moment.

6. Waar zie je jezelf over 5 jaar binnen het Living Lab?
Op dit moment focussen we ons op het Living Lab en de geplande onderzoeken. We hopen natuurlijk dat het succesvol wordt, zodat er meer van dit soort plekken ontstaan. Het kan ook zijn dat het iets tijdelijks wordt binnen organisaties, voor een half jaar of een jaar, om aan de hand van technologieën het bewustzijn onder de mensen te vergroten. In welke vorm precies weten we nog niet. Daarom vind ik het ook erg lastig om te zeggen waar ik mezelf over 5 jaar zie. Ik weet in ieder geval dat we nog veel te doen hebben qua experimenten en kennisontwikkeling. We staan pas aan het begin van de zeer belangrijke trend om werkomgevingen en gebouwen gezonder te maken.

7. Nu zie je langzaam een trend ontstaan bij kantoren. Verwacht je dat deze trend doortrekt naar andere typen vastgoed? Bijvoorbeeld woningen?
Jazeker, daar ga ik wel van uit. Men zal zich steeds meer bewust worden van gezondheid, gezondheidsrisico’s en leefstijl. Er is veel meer belangstelling dan vroeger om je hierin als persoon te verbeteren, waarbij de link met gebouwde omgeving steeds meer wordt gelegd. En ten tweede komen er steeds meer goedkope middelen op de markt om de omgevingscondities te meten in gebouwen. Met deze apparatuur, die ook bereikbaarder wordt voor consumenten, kan men zelf gemakkelijk inzicht krijgen in bijvoorbeeld luchtkwaliteit. Dit gaat ongetwijfeld de vraag naar verbetering vergroten. En ook in onderwijs is een verschuiving zichtbaar. We hebben nu een afstudeerder op de Hanzehogeschool die kijkt naar beweging in het onderwijs en lessituaties. Ook in het onderwijs is er sprake van veel zitten, wellicht kan dit worden verbeterd door een andere inrichting van de lokalen of een andere lesvorm.

8. Wat is jouw belangrijkste boodschap?
Buitenruimte is heel belangrijk. In mijn ogen wordt dat nu nog een beetje vergeten. bij het gezonder maken van gebouwen en werkomgevingen gaat alles over binnenklimaat, uitzicht in gebouwen, licht en dat soort belangrijke dingen. Maar een prettige buitenruimte is hierbij net zo belangrijk.

Ik denk ook dat het zorgen voor voldoende rust en stilte in de werkomgeving belangrijk is. We zien dat kantoren de laatste twintig jaar steeds opener zijn geworden, meer glas, meer open werkvloeren en ook meer drukte. Daarin moet eigenlijk een tegenbeweging komen. Je ziet dat daar steeds meer klachten over zijn en dat draagt absoluut bij aan het gevoel van stress en het feit of je het werk goed kan doen of niet. Je in een drukke omgeving proberen af te sluiten kost extra energie, je raakt gefrustreerd en het behalen van deadlines loopt mis. Terug naar de hokjescultuur? Als het aan Jan Gerard ligt dat absoluut niet. De hokjescultuur is juist verdwenen om te zorgen voor meer kennisdeling, kruisbestuiving en sociale contacten, maar dat is in de tijd gezien maar een klein deel van het werk dat we doen. De zogenoemde ‘kantoortuin’ moet voorzien in voldoende werkplekken, met goede akoestiek en van een overzichtelijke omvang zijn.

9. Wat kunnen we in jouw ogen leren van andere landen?
Scandinavië is een voorloper. Deze landen hebben altijd al een sterke traditie op het gebied van gezondheid en welzijn en ze hebben er vaak veel natuur rondom kantoorgebouwen. Wat ik ook interessant vind is het kantoor van een grote Australische zorgverzekeraar (Medibank in Melbourne), die gezondheid, beweging en veel groen heeft geïmplementeerd in het kantoor.

10. Wat is de grootste uitdaging in Nederland?
In mijn ogen ligt de grootste uitdaging in Nederland op het mentale vlak. Nederland kent schrikbarende cijfers van burn-outs. Het gaat hier met name om werkomgevingen, dus dat vraagt om heel veel onderzoek en oplossingen om te kijken hoe medewerkers meer in balans kunnen komen qua rust en ontspanning. De oplossing hiervoor zit maar voor een deel in de fysieke werkomgeving, maar we kunnen er in ieder geval aan bijdragen vanuit onze expertise.

Living Lab, Hanzehogeschool Groningen

Deel dit bericht:

Meer ontdekken?

Contact

Ptolemaeuslaan 80
3528 BP Utrecht
Postbus 4052
3502 HB Utrecht
T : +31 (0) 30 287 53 00
E: consult@am.nl
KvK: 30224151